In de kloof tussen rijk en arm

geschreven door Pim op

“C’est les pauvres” wijst een Marrokaans jongetje me, terwijl we aan de arme mensen voorbij gaan die samen naast de toegangspoort van de markt in Agadir zitten. Ook in een ijskoud Budapest ga ik voorbij aan arme mensen. Bij het verlaten van het metrostation passeer ik zwervers op matrassen, die de relatieve warmte van de ondergrondse opzoeken om te slapen. Overal ter wereld kom ik in de kloof tussen rijk en arm. En kan er daarna telkens weer aan de goede kant uitstappen.

Een man spreekt me aan op het plein voor Rotterdam Centraal Station. Het lijkt iemand die gewend is om genegeerd te worden, want hij schrikt een beetje als ik abrupt stop en luister hoe hij zich herpakt. Hij legt uit dat hem een koude nacht te wachten staat.

Ik heb geen cash. Het is waar, maar daar kom ik toch niet mee weg?

Het is een bekend verhaal in de stad. Dit zou het moment zijn om afwijzend te reageren en mijn trein te gaan halen. Was ik twee minuten eerder of later geweest dan waren onze paden niet gekruist. “Wat heb je nodig?” vraag ik op de man af. “Een kleinigheidje voor de nachtopvang”. En mijn slechtste excuus hoor ik mezelf zeggen: “ik heb geen cash”. Het is waar, maar daar kom ik toch niet mee weg?

Hoe slecht ik het zou moeten hebben, voor ik over mijn schaamte heen op iemand af zou kunnen stappen om geld te vragen. Dat heb ik me al wel eens proberen voor te stellen. Als iemand dat doet, geloof ik, is het hoe dan ook altijd oprecht.

Terwijl ik twijfel vertelt mijn telefoon van 550 euro me dat ik tijd heb om deze man wat te geven én mijn trein te halen. “Een kop koffie?”. Nee, bedenk ik me terwijl ik het zeg, dat lijkt me weinig helpen. Zonder het direct af te wijzen beaamt de man dat. Op mijn vervolgvraag kan hij me wel een pinautomaat wijzen.

Drugs, alcohol of gokken. Ik kan me voorstellen wat iemand met wat gekregen geld zou kunnen doen. Maar ik heb makkelijk praten als ik oordeel over wat iemand ermee doet. Ik heb geld bijna hoofdzakelijk voor de lol. Ook kan ik me eigenlijk moeilijk anders voorstellen dan dat iemand er zelf al kritisch genoeg op is. Dat ben ik soms al zonder dat ik geld tekort kom.

De pinautomaat van ING is buiten werking, maar ernaast staat er nog één van het GWK. Ik volg mijn handelingen als ik impulsief zo min mogelijk probeer te pinnen. Ik word gecorrigeerd, de twintigjes zijn op. Ik moet minstens vijftig euro pinnen. Als ik het de man in zijn handen druk overvalt me een drang om weg te zijn voor hij me kan bedanken. Ik haast me naar mijn trein, terwijl hij me toch bedankt.

Ja, ik ben rijk. Ik heb geluk gehad. Maar het geld groeit me niet op de rug. Ik werk er voor en heb er een aanzienlijk deel van nodig voor huisvesting en eten. Toch blijft er ook een hoop over om te delen. Zeker als ik daar voor kies. In Nederland en het buitenland besluit ik vaker wat te geven. Zeker als iemand daar om vraagt.

Hoe ga jij op reis om met het verschil tussen rijk en arm?